Wat als niet economie, maar ecologie het uitgangspunt is?
Lector Betekeniseconomie Kees Klomp:
‘We moeten economie beschouwen als een ontwerpwetenschap: niet beschrijvend en verklarend, maar creërend’
Kees Klomp, lector en founding father van de Betekeniseconomie, pleit voor een fundamenteel ander economisch systeem. Een systeem waarin niet de markt, maar ecologie het uitgangspunt is. In een openhartig gesprek vertelt hij hoe we die transitie kunnen maken en waarom hij zelf een diepe behoefte voelt om zich daar 24/7 voor in te zetten.
Tekst en portretfotografie: Merel van der Lande
‘Het is zo’n voorrecht om hier te leven’, zegt Kees Klomp als we door het glooiende heidelandschap van het Drentse Drouwenerzand lopen. In 2005 “emigreerde” hij met zijn vrouw en twee dochters van Haarlem naar het Drentse Drouwen. Een bijzonder verhaal, zegt Kees. ‘We hadden een huisje in Exloo, niet ver hiervandaan, waar we ieder weekend naartoe gingen. Op een dag ontmoetten we tijdens één wandeling drie echtparen die alle drie vanuit een ander deel van Nederland naar Drenthe waren verhuisd. Op de terugweg naar huis zei mijn vrouw: waarom doen wij dat ook niet? Dat voelde zo bevrijdend!’
Het was eind juni toen de familie Klomp naar hun boerderij in Drouwen verhuisde. Terwijl Kees’ vrouw in Haarlem bleef omdat hun dochters de laatste schooldag hadden, ging Kees in alle vroegte met de verhuiswagen mee naar Drouwen. Nadat alles was uitgeladen, maakte hij voor het eerst een wandeling door de omgeving. ‘En toen kwam ik hier, bij dit bankje. Je moet je voorstellen dat het hier in juni bruist van het leven. Ik ging zitten en de geluiden van de bijen, hommels, vlinders en vogels vormden samen een symfonie. Het voelde alsof ik welkom werd geheten. Alsof die plek zei: nou hè hè, daar ben je dan eindelijk! Ik heb zitten janken als een klein kind – zo gelukkig was ik. Ik ervaarde een diepgeworteld gevoel van thuiskomen. Hier heb ik het ‘interzijn’, de wederzijdse afhankelijkheid van de natuur, leren voelen. In plaats van een toeschouwer voel ik me nu veel meer onderdeel van het leven. Als je om de natuur geeft, wat ik altijd heb gedaan, voel je je geroepen om voor haar te zorgen en voor haar te strijden. Maar als je voelt dat de natuur ook van jou houdt, dan ontstaat een soort heilige band. Het emotioneert me als ik ervaar wat een rijkdom het is om je verbonden en gedragen te voelen. En daarom kan ik ook zo pislink worden van mensen die de aarde…. nou ja, aan het vermoorden zijn. Mensen die ervan overtuigd zijn dat de aarde er is om door ons geëxploiteerd en gedomineerd te worden. Of die zeggen: “Zo is het systeem nu eenmaal”. Daar kan ik echt niet tegen.’
“Overdag was ik een marketinglul en ’s avonds een devote boeddhist”
Karmanomics
In de periode dat Kees met zijn gezin naar Drenthe verhuisde, was hij zoekende op het gebied van werk. Als succesvolle marketingadviseur in de reclamewereld verdiende hij goed geld, maar met het vak had hij eigenlijk niks. Hij werkte tegen zijn zin bij een reclamebureau waar alles draaide om geld en probeerde dat te rijmen met de boeddhistische levensfilosofie waarmee hij op zijn twintigste in aanraking kwam tijdens een vakantie in Thailand. ‘Ik studeerde politicologie en was in die tijd een echte anarchist. Dat Thailand boeddhistisch was, daar vond ik dan ook vooral wat van: het was een religie en dus opium van het volk. Op de eerste dag in Bangkok kwamen mijn vrouw en ik als rechtgeaarde toeristen in een tempelcomplex terecht waar net een ritueel gaande was voor een immens Boeddhabeeld. Terwijl we stonden te kijken, voelde ik ineens hoe mijn hart letterlijk werd geraakt: ik kreeg een warme gloed rond mijn borst en tegelijkertijd kwam er een diepe rust over me. Het was heel fysiek. Maar er was ook een soort stemmetje dat zei: boekje kopen, boekje kopen. Hoe bizar die hele ervaring ook was, ik besloot naar dat stemmetje te luisteren en kocht een boek van de boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh. En wat ik daarin las was pagina na pagina een mokerslag; het voelde zo kloppend! Zo leerde ik dat je tegen haat kunt zijn, maar ook vóór liefde. Als anarchist die vooral overal tegen was - tegen oorlog, tegen discriminatie, tegen ongelijkheid – was dat een openbaring. Wow, dacht ik, hier wil ik meer van!’ Weer in Nederland ging Kees “proeven” bij verschillende boeddhistische tradities om zich uiteindelijk aan te sluiten bij het geëngageerde boeddhisme, een niet-religieuze stroming waartoe ook Thich Nhat Hanh behoort. Kees: ‘Ik leefde jarenlang in twee werelden. Overdag was ik een marketinglul en ’s avonds een devote boeddhist.’
Tot het op een dag mis ging. ‘Ik werkte voor een belangrijke klant die enorm disrespectvol was, maar ik durfde daar niets van te zeggen. Ik maakte een campagne, waarvan ik wist dat het een vijfje was. En toen stelde mijn baas ineens voor om die campagne te presenteren voor het hele bedrijf - dat was leuk, want het was zo’n belangrijke klant. Natuurlijk had ik toen moeten zeggen dat we dat niet moesten doen omdat de campagne niet goed was. Maar dat deed ik niet. Op het moment suprême kreeg ik voor de hele groep een paniekaanval. Ik stond te hyperventileren en er kwam geen woord meer uit. En het ergste was: ik ging ook niet meer aan. Op weg naar huis wist ik: ik kom hier nooit meer terug.’
Een bezoekje aan de huisarts leerde dat Kees een flinke burn-out had. Een heftig persoonlijk proces volgde. Kees: ‘Ik wist niet meer wie ik was en wat ik wilde doen.’ Maar na drie maanden had hij ineens een helder inzicht. ‘Natuurlijk weet ik wel wat ik moet doen. Ik moet mijn boeddhistische levensbeschouwing combineren met dat waar ik goed in ben.’ Vanaf dat moment keerde zijn energie terug. Hij begon Karmanomics, waarmee hij bedrijven adviseert hoe ze hun organisatie kunnen inrichten op basis van de boeddhistische levensfilosofie. Kees: ‘Ik belde een kennis uit de reclamewereld die altijd een soort vaderfiguur voor me was en legde hem voor wat ik wilde gaan doen. Het bleef heel lang stil aan de andere kant van de lijn. Toen vroeg hij of het echt goed met me ging. Haha, hij dacht dat ik gek geworden was. Maar daarna zei hij: oké Kees, als je dit gaat doen, schrijf dan in godsnaam een boek over je gedachtegoed. En dat heb ik gedaan. In dat boek, Verlichting in business (2005), gebruik ik voor het eerst de term “betekeniseconomie”.’
In 2016 vroeg de Erasmus Universiteit of Kees wilde overstappen naar de wetenschap om zijn gedachtegoed over de Betekeniseconomie verder uit te diepen. Inmiddels is hij ook als lector verbonden aan de hogeschool Rotterdam, waar hij de kans krijgt om het economie-onderwijs te veranderen. Of liever gezegd: te transformeren.
Betekeniseconomie is een fundamenteel nieuwe benadering van economie, waarbij ecologie het uitgangspunt is. Waarom is die transformatie nodig?
‘Laat ik beginnen met een anekdote. Toen ik op de middelbare school economie kreeg, zei mijn docent tijdens de eerste les: “Economie is een sociale wetenschap. Het gaat over mensen en menselijk gedrag.” Ik weet nog dat ik dacht: aha, dat wordt een leuk vak! Maar vervolgens leerde ik vier jaar lang alleen maar wiskundige formules waar ik niets van begreep en dus vond ik het een verschrikkelijk vak. Niet veel later, in het eerste jaar van mijn studie politicologie, kwamen er tot mijn grote verbazing allemaal economen voorbij met ideeën over hoe je de samenleving kunt inrichten: Adam Smith, John Maynard Keynes, Karl Marx. Daar kwam geen wiskundige formule aan te pas!
Op de middelbare school krijgen we nog altijd neoklassieke economie en daar gaat het mis. Want het is slechts één van de vele perspectieven om naar economie te kijken. Bovendien zijn er binnen de economie ontzettend veel methoden die de neoklassieke economie naar het rijk der fabelen verwijzen, maar die krijg je niet op school. En dus zien we de economie door een extreem normatieve, gekleurde bril. Door die neoklassieke bril is economie een volledig maakbare en controleerbare wetenschap. Economen beschouwen het huidige systeem en proberen van daaruit te verklaren en te voorspellen. Economen vinden zichzelf objectief, waardoor de huidige ideologie niet ter discussie staat. Van iemand als Kate Raworth, die ik met haar ideeën over de Donuteconomie onwaarschijnlijk belangrijk vind voor het economische systeem, zeggen de meeste economen: “Zij is geen echte econoom. De Donuteconomie is maar een idee, het is geen theorie.” Op dat moment reduceer je wetenschap tot iets wat alleen telt als het er al is. Ik heb niets tegen de spelregels van de wetenschap; de bestaande onderzoeksmethoden zijn wezenlijk goede en gezonde markeerpunten. Die stel ik niet ter discussie. Wat ik wel ter discussie stel is de rigiditeit in het economische systeem. Zeker nu we worden geconfronteerd met de zeer ontwrichtende gevolgen van het huidige systeem: ecologische ineenstorting. Dat kunnen we wel gaan verklaren en beschouwen, maar we moeten ons systeem veranderen. In plaats van willen begrijpen waarom we inkomensongelijkheid hebben, moeten we de markt veranderen. Dat is een ontwerpissue. Daarom vind ik dat we economie moeten beschouwen als een ontwerpwetenschap: niet beschrijvend en verklarend, maar creërend. In de basis gaat economie over mensen die afspraken maken over hoe we samen het materiële huishouden kunnen regelen. Als we teruggaan naar die basis hebben we veel meer bewegingsvrijheid om nieuwe dingen te proberen.’
“Echte disrupties leiden tot een identiteitscrisis die ten diepste gaat naar de vraag: wie ben ik?”
Aan de reacties op jouw LinkedIn-berichten te zien, stuit jouw visie op de nodige weerstand…
‘Ja! We bevinden ons in de overgangsfase van de moderne tijd, die begon met de verlichting, naar de ecologische tijd. Van Descartes ‘Ik denk dus ik ben’ naar iets wat Andreas Weber zo mooi ‘enlivenment’ noemt. Een nieuwe tijd waarin we juist niet alles willen verklaren, maar eerder aansluiting zoeken bij wat er is en waarin we de natuur accepteren zoals die is. Dat wereldbeeld zien we nog bij veel inheemse broeders en zusters, maar voor de meeste mensen is dat een volstrekt nieuw paradigma. En daar komt vaak weerstand bij kijken. In de tijd van de verlichting, een tijd waarin God en niet de wetenschap het wereldbeeld bepaalde, werden de nieuwe ideeën ook niet met gejuich ontvangen. Echte disrupties leiden tot een identiteitscrisis die ten diepste gaat naar de vraag: wie ben ik? Daarom noem ik Betekeniseconomie een existentiële benadering; we moeten onszelf helemaal opnieuw uitvinden.’
“Voordat je mensen een nieuwe blik kunt geven op de wereld, moet je eerst ruimte creëren in de blik die ze nu hebben”
Wat hebben we nodig om onszelf opnieuw uit te vinden?
‘We moeten ruimte creëren om een gezonde relatie met economie te ontwikkelen. Zoals gezegd hebben we economie nodig om ons materiële huishouden te regelen. Maar wat we niet nodig hebben, is een markteconomie. Zorg, onderwijs, voedsel: alles is markt. Daarmee reduceren we ons bestaan tot dat van een consument met maar één taak: consumeren. Dat is een hele passieve rol, die puur gericht is op de materialistische kant van ons bestaan. Maar om als mens welbevinden te ervaren, te floreren, hebben we heel andere waarden nodig. Dat is inmiddels ook wetenschappelijk bewezen door mijn gewaardeerde collega Patrick Nullens, die onderzoek doet naar de Homo Florens.
De eerste drie maanden van de opleiding Betekeniseconomie gaan dan ook alleen maar over: wie ben ik, wat wil ik, wat geloof ik en waar komt dat wat ik geloof vandaan? Het woord economie wordt niet genoemd. Daarna richten we ons op het ontleren van het aangeleerde. Want voordat je mensen een nieuwe blik kunt geven op de wereld, moet je eerst ruimte creëren in de blik die ze nu hebben. En dus moet je vragen stellen. Weet je zeker dat groei nodig is? Waarom is het bruto nationaal product een goed middel om de staat van een land in uit te drukken? Hoezo bestaat een bedrijf om winst te maken?
Alleen kennisoverdracht en het aanreiken van toepassings-mogelijkheden is niet voldoende. Er verandert pas echt iets als mensen het willen, als ze intrinsiek gemotiveerd zijn. Betekeniseconomie draait daarom om houding en de basis om houding te veranderen is mensen te laten ervaren hoe ze zich verhouden. Die ervaring kunnen we sturen door immersie, de eerste fase van de verandertheorie die we behandelen in de opleiding Betekeniseconomie. Het begint met het in contact brengen van mensen met natuur. Dat kan letterlijk, maar ook via verhalen van inheemse volkeren die de natuur zien als familie. Of door gebruik te maken van ons empathische vermogen. We vragen bijvoorbeeld: stel je bent een egel, hoe zou jij de gemiddelde stadstuin dan ervaren? Als je je even verdiept in het leven van een egel snapt iedereen dat een tuin vol beton geen fijne plek is voor zo’n dier. Door steeds weer van cognitie naar emotie te gaan, ontstaat er ruimte.
We veroorzaken met die methode bewust een identiteitscrisis, waarbij sommigen volledig in de weerstand gaan – die willen vasthouden aan het oude. Daar hebben we overigens alle respect voor. Sterker nog: we nodigen de studenten uit om het tegendeel te bewijzen en het met ons oneens te zijn. Sommige blijven het met ons oneens, maar bij de meeste studenten gebeurt er echt iets. Zo was er een klassieke bedrijfskundestudent, netjes gekleed in een blauw blazertje, die zijn carrière al helemaal had uitgestippeld. Maar in de zes maanden dat hij Betekeniseconomie studeerde, ontdekte hij dat hij eigenlijk de wereld wilde redden. Nu is hij betrokken bij de eerste off grid energiecoöperatie van Nederland. Afgezien van het feit dat ik apetrots ben op zijn persoonlijke ontwikkeling, is die coöperatie ook een vorm van economie waar ik in geloof. Aandacht hebben voor de meent is belangrijk. Als jij het voedselsysteem wilt veranderen, moet je niet de straat op gaan, maar een voedselcoöperatie beginnen. Word je eigen producent én consument. Dat is ook economie. Voorstanders van het huidige economische systeem vinden dat een bedreiging, want “zo maak je de markt kapot”. Ja, dat klopt, zeg ik dan. Dat is ook het idee: als een Paard van Troje het systeem en de instituten veranderen.’
“Als ik onze kleine smurf zie met al zijn dromen, een mannetje dat zijn hele leven nog voor zich heeft, denk ik: wat voor een leven wordt dat?”
Hebben we nog tijd voor zo’n aanpak?
‘Ik spreek wekelijks allerlei verschillende klimaatwetenschappers en van geen van die gesprekken kom ik vrolijk thuis. Het is geen vijf voor twaalf, het is al kwart over twaalf. Mijn twee dochters zijn inmiddels volwassen, maar mijn vrouw en ik kregen negen jaar geleden nog een toegift. Als ik onze kleine smurf zie met al zijn dromen, een mannetje dat zijn hele leven nog voor zich heeft, denk ik: wat voor een leven wordt dat? Op zo’n moment ben ik een en al emotie. Dan ben ik geen onderzoeker meer, dan ben ik gewoon een vader.
Veel mensen vragen me: “Kees, hoe doe je dat? Je doet zo veel!” Maar ik doe nog lang niet genoeg. Ik voel een diepe behoefte om hier 24/7 mee bezig te zijn, want dat is wat de situatie vraagt. We hebben niet de luxe om rustig aan te doen. We moeten met niks anders meer bezig zijn en dat moeten we allemaal. Dus ik ben me suf aan het denken hoe we meer mensen kunnen aanzetten om in actie te komen.’
Tot slot: wat geeft jou hoop?
‘Dat is iets wat er gebeurde toen ik in Covid-tijd een les overnam van een collega van de opleiding. Als instructie voor die les zei hij: kijk maar wat zich aandient. De hogescholen mochten net weer voorzichtig open met mondkapjes en voldoende afstand, dus het was logisch dat zich een discussie aandiende over vaccineren. In de klas van vijftien studenten waren er vijf studenten tegen, vijf voor en tien neutraal. Echt, ik heb nog nooit zo’n constructieve discussie over Covid gehoord als toen. Nu moet ik er wel bij zeggen dat er al een gevoel van veiligheid was in die groep. Daardoor gingen de studenten tijdens de discussie met alle respect voor elkaars positie om. En het mooiste was: na twee uur posities verkennen en voors en tegens bespreken was er niets veranderd aan de standpunten van de studenten en toch ging iedereen naar huis met het gevoel van “wat hebben we veel geleerd vandaag”.
Wat daar gebeurde, is de manier waarop we de transitie kunnen maken met z’n allen: de boel bij elkaar houden en het eens worden over datgene wat we te doen hebben. Over de vraag “hoe” kunnen we discussiëren en wedijveren, als het maar niet gaat over “waarom”. Het klimaatprobleem is een feit. We moeten in debat over hoe we het probleem gaan aanpakken.’
Kees Klomp (1968) is lector Betekeniseconomie aan de Hogeschool Rotterdam en medeoprichter van THRIVE Institute. Hij onderzoekt en ontwikkelt nieuw economisch gedachtegoed en methoden om deze toe te passen in de praktijk. Hij schreef daarover meerdere boeken, zoals Handboek Betekenisvol Ondernemen, Pioniers van de Nieuwe Welvaart en THRIVE.