Wat een (eetbare) tuin ons kan leren over meebewegen

Tuinder Valérie van Dijck:

‘Groei mee, beweeg mee en probeer het niet af te dwingen’

Zoveel mogelijk samenwerken met de natuur en de gemeenschap. Dat is het uitgangspunt van Tuinderij De Veldhof in Joppe. En dat is echt niet altijd makkelijk aldus oprichter Valérie van Dijck. Maar zowel het leven als de tuin leerden haar meebewegen. Een inspirerend verhaal over moed, loslaten en flexibiliteit.

Tekst en fotografie: Merel van der Lande

‘Goedemiddag, ik zoek de snijbiet’, zegt een vriendelijke dame met een strohoed tegen de felle zon. Aan haar arm een rieten mand met daarin een prei. ‘Ja, die staat daar’, zegt Valérie opgewekt terwijl ze naar een veldje verderop wijst. ‘Iets verder dan de prei.’ Als vaste klant van Tuinderij De Veldhof in Joppe oogst de dame iedere week de groenten die ze nodig heeft. ‘Pas wel op voor de wespen’, waarschuwt Valérie haar nog terwijl we plaatsnemen op een schaduwrijk plekje in de tuin. ‘Dat herinnert me eraan dat er straks een wespenverdelger komt, dus dan moet ik het interview even onderbreken.’

‘Een gezond systeem kan alleen bestaan met heel veel diversiteit en complexiteit, net als in de natuur’

Een wespenverdelger? Die zou ik niet zo snel verwachten in een tuin die gebaseerd is op permacultuur, een ontwerpsysteem dat de natuur zoveel mogelijk nabootst. ‘Nee, dat doe ik ook liever niet’, antwoordt Valérie. ‘Wespen zijn ook onderdeel van het grote geheel; ze zijn heel nuttig en eten bovendien luizen en muggen. Maar de nesten zitten nu op plekken waar klanten komen oogsten en dat is levensgevaarlijk voor mensen die allergisch zijn. We hebben geprobeerd de nesten te verplaatsen naar een plek helemaal achter in de tuin, maar ze kwamen terug.’
Het is dus zoeken naar een balans tussen mensen en, in dit geval, wespen. Valérie: ‘Ja, een gezond systeem kan alleen bestaan met heel veel diversiteit en complexiteit, net als in de natuur. Door letterlijk ruimte te geven aan allerlei organismen krijg je veerkracht.’ In de tuin zijn daarom ruigere stukken die alle ruimte bieden aan onkruid en insecten en nettere gedeeltes waar mensen mogen komen. ‘Wat we hier doen is dus eigenlijk niet echt natuur. Die zou zich vrij mogen ontwikkelen, maar dan wordt het uiteindelijk allemaal bos. Dus we zetten het naar onze hand omdat we nu eenmaal voedsel nodig hebben. Maar door ons te verdiepen in de principes van de natuur kunnen we wel leren meebewegen. En dat is belangrijk voor zowel de kwaliteit van de bodem en de gewassen als voor ons eigen leven.’

Meebewegen dus. Op welke manier heeft de tuin jou dat geleerd?
‘Het begon niet met de tuin, maar met mijn jongere broer, die in 2010 overleed. Ik was toen 30, woonde met mijn man in Den Haag en ik werkte als fondsenwerver op het hoofdkantoor van het Rode Kruis. Hoewel ik mijn leven tot dan toe heel leuk vond, hakte het overlijden van mijn broer er op alle fronten in. Op mijn werk ben ik er een tijdje uit geweest, en toen ik weer probeerde te re-integreren, kreeg ik het letterlijk benauwd zodra ik mijn voet over de drempel zette. Heel heftig.
Ik vroeg me af: wat is dan de bedoeling? En als ik dit loslaat, wat komt er dan? Ik realiseerde me dat ik altijd met de kudde was meegehobbeld: vwo gedaan, daarna studeren en een goede baan gevonden. En ineens dacht ik: maar wacht eens even, wat vind ik nou eigenlijk echt belangrijk? Ik ben een tijdje gastouder geweest; lekker ongedwongen spelen met de kinderen deed me goed. En niet lang daarna ben ik begonnen met een opleiding permacultuur. Ik wilde iets buiten mijn eigen kader en ik voelde dat het tijd was om meer de natuur in te gaan en te aarden. Daarna heb ik nog een tweede opleiding gedaan en werd onze zoon geboren. We hadden besloten dat we weg wilden uit de Randstad voordat hij vier jaar werd en naar school zou gaan. Na mijn opleidingen wilde ik heel graag zelfvoorzienend leven met mijn gezin, maar ik had ook nog veel te leren. Ik wist niet eens hoe ik een wortel moest zaaien! Zeven jaar geleden hoorde ik van een oud-docent van de opleiding dat hij een permacultuurtuin wilde beginnen, hier in Joppe. Hij vroeg mij en twee andere tuinders om die onder zijn begeleiding op te starten. Die kans heb ik met beide handen gegrepen.
We zijn toen heel snel begonnen, maar kwamen er na een tijdje achter dat we toch andere ideeën hadden over de tuinderij. Na drieënhalf jaar stond ik op een kruispunt: ga ik de tuinderij loslaten óf zet ik mijn schouders eronder en ga ik het alleen doen? Het werd de tweede optie.’

‘Ik doe dit om te laten zien dat het anders kan. Dat je iets dus beter kunt achterlaten dan dat je het hebt aangetroffen’

Je had dus ineens een tuin van 1,5 hectare die je alleen moest onderhouden? Dat lijkt me pittig!
‘Ja, dat was een megastap voor mij. Maar het gaf me ook heel veel vrijheid en lucht. Nu kon ik de tuin realiseren zoals ik hem voor me zag. Tot het moment dat ik de tuin alleen ging doen waren we een pakkettenbedrijf; mensen kwamen de pakketten ophalen en gingen weer. Maar ik vroeg me af: waarom doe ik dit? Om zoveel

mogelijk groenten te verkopen? Nee, ik doe dit om te laten zien dat het anders kan. Dat je op een andere manier gezond eten kunt verbouwen en tegelijkertijd het bodemleven kunt versterken. Dat je iets dus beter kunt achterlaten dan dat je het hebt aangetroffen. En ik doe dit ook om mensen dat zelf te laten ervaren. Het is niet mijn tuin, het is ónze tuin.’

‘Toen ik de tuin alleen voortzette, moest ik wel accepteren dat ik niet alles in één keer kon realiseren en dat dat ook oké was’

In eerste instantie dwongen de gebeurtenissen in je leven je dus min of meer om mee te bewegen. En hoe liet de natuur je dat dan zien?
‘In het begin was ik erg van de controle. Ik was veel aan het schoffelen en werkte heel hard, omdat ik het gevoel had dat ik degene was die alles in goede banen moest leiden. Maar toen ik de tuin alleen voortzette, moest ik wel accepteren dat ik niet alles in één keer kon realiseren. Ik besloot om de achterste helft van de tuin met vooral bessenstruiken in eerste instantie met rust te laten. De houtwal in het midden zorgde voor een mooi natuurlijk scherm zodat het rommelige stuk niet goed te zien was, haha! En tot mijn grote verbazing stonden de bessenstruiken er maanden later net zo mooi bij als de struiken in het voorste gedeelte van de tuin die ik alle zorg en aandacht had gegeven. Toen dacht ik: ik kan wel alles volgens het boekje doen, maar als ik het met rust laat, gaat het net zo goed. Of misschien zelfs beter.
Behalve loslaten heeft de tuin mij ook geleerd om flexibel te zijn. In het begin had ik heel veel moeite met zowel hitte als kou. Hitte vind ik nog steeds een lastige, dus op warme dagen draai ik een tropenrooster. Maar kou ervaar ik eigenlijk helemaal niet meer. Sterker nog: ik geniet ervan! Ik ben erachter gekomen dat ik gewoon moet blijven bewegen. Dan heb ik aan het einde van de dag zo’n rozig wintersportgevoel. En als het een dag regent blijf ik lekker thuis. Ik vind het heerlijk dat ik niet meer in het stramien zit van een kantoorbaan, zodat ik flexibel ben. Zo ga ik regelmatig iets heel anders doen dan ik van plan was. Gisteren wilde ik bijvoorbeeld sla voorzaaien, maar ik zag dat er nog genoeg sla stond. Ik vond het belangrijker om de bonen op te kweken omdat de peulen bijna op waren en ik die rekken dan nog een keer kon gebruiken. Bovendien is het heel droog weer, dus als ik nu iets zaai moet ik heel veel sproeien. Sommige mensen vinden die manier van werken chaotisch, maar het is juist inzoomen op het moment en aanvoelen wat er nodig is.’  

Meebewegen betekent dus niet dat je alles maar gewoon zijn gang laat gaan?
‘Nee! Dan wordt het allemaal bos, en zoals ik eerder zei: we hebben voedsel nodig. Overigens geloof ik wel dat als we met z’n allen zouden leren wildplukken en paddenstoelen verzamelen, we veel meer uit het bos kunnen eten. Maar op dit moment is er niet genoeg voedselrijk bos op de wereld om iedereen te kunnen voeden. Bovendien vraagt dat om een heel ander voedingspatroon. We zijn gewend om vooral granen, vlees en zuivel te eten. En als we groenten eten, zijn het gecultiveerde gewassen die gemaakt zijn om ze makkelijk machinaal te oogsten. Daardoor hebben we heel veel monoculturen (red: grond waarop één soort gewas staat) waar onkruid meteen wordt platgespoten. Maar onkruid is in feite een teken dat de bodem niet in balans is. Het zijn namelijk pioniersplanten die de bodem verbeteren en diversiteit creëren. Dat kun je goed zien in de bosranden, waar woekeraars als bramenstruiken de bodem voorbereiden op de uitbreiding van het bos. Of kijk naar een Vinex-wijk. In de vaak arme grond komen binnen no time pioniersplanten die zich uitzaaien om zo snel mogelijk meer planten neer te zetten. Met hun blad en materiaal voeden ze de grond waardoor de bodem meer in balans komt. Vervolgens komen er ook wat andere planten en pioniersboompjes, zoals een berk. En zo gaat het verder tot er een gevarieerd en rijk bos ontstaat.’

‘Dat vind ik het mooie van de natuur. Dat je in die dynamiek kan meebewegen, ermee kan spelen. Uitzoomen en kijken naar het grote geheel’

Hoe voorkomen jullie dan, zonder het onkruid plat te spuiten, dat De Veldhof met z’n arme zandgrond bos wordt?  
‘Heel veel organische compost, groenbemesters (red: planten die puur worden gezaaid om de bodem voedingsstoffen te geven), veel afwisseling en een portie gezond verstand, haha! Met dat laatste bedoel ik dat ik altijd kijk naar welk gewas er op een bepaalde plek heeft gestaan en hoeveel voedingsstoffen die uit de bodem heeft gehaald. Is dat veel, dan plant ik daarna op die plek iets dat minder voedingsstoffen nodig heeft. Zo bouw je langzaam maar zeker een gezonde bodem op en heb je zelf minder werk aan het wieden van onkruid.
Overigens vind ik het helemaal niet erg als een steeds groter deel van de tuin richting voedselbos beweegt. Nu heb ik nog veel eenjarige gewassen, zoals sla, bonen en bietjes. Die zijn kwetsbaar en erg arbeidsintensief omdat ze niet diep wortelen en daardoor niet zelf aan voldoende vocht komen. Bovendien zijn ze niet opgewassen tegen onkruid. Maar naarmate de tuin groeit en de bodem zich ontwikkelt, krijgen meerjarige gewassen als asperge, kardoen en artisjok meer ruimte. En uiteindelijk mag de tuin voor een groot deel uit voedselbos bestaan, met vaste gewassen zoals klein fruit, fruit- en notenbomen. Het mooie van een voedselbos is dat de bomen en planten elkaar ondersteunen. Zo staan er planten die nutriënten omhoog pompen of schimmels weren en is er een kruidlaag die bepaalde insecten aantrekt waardoor de bomen geen last hebben van bijvoorbeeld luizen. Een voedselbos voedt zichzelf, waardoor je er minder energie in hoeft te stoppen. Die ontwikkeling past bij mijn eigen proces: ik word ook een dagje ouder en het kost steeds meer moeite om de tuin te onderhouden.
Het is altijd zoeken naar balans: hoeveel energie stop ik erin en wat levert het op, of levert het iets anders op? Zo heb ik in het voorjaar palmkool geplant in combinatie met andijvie. De andijvie vormt de onderbegroeiing voor de palmkool, zodat de bodem bedekt is en minder snel uitdroogt. Op het moment dat de andijvie wordt geoogst groeit de palmkool nog verder. Vaak plant ik teveel en de andijvie die over is snijd ik af om de bladeren vervolgens andersom terug te leggen op de bodem. Zo blijft die bedekt en als de andijvie vergaat keren de voedingsstoffen terug in de bodem. Dat heet mulchen, composteren op de plek zelf. Veel mensen vinden dat zonde. Ik zou de groenten ook kunnen oogsten en naar de voedselbank kunnen brengen. Maar op deze arme zandgrond moet ik alle voedingsstoffen die ik uit de tuin haal, terugbrengen in het systeem. Het is dan inderdaad geen product dat je verkoopt, maar het gaat mee in de kringloop en voegt dus iets toe aan het geheel. Dat vind ik het mooie van de natuur. Dat je in die dynamiek kan meebewegen, ermee kan spelen. Uitzoomen en kijken naar het grote geheel.’

Delen van overvloed
Van een kaal stuk weiland met twee paarden groeide het terrein van 1,5 hectare in zeven jaar tijd uit tot een inspirerende eetbare tuin. De pioniersfase van De Veldhof is voorbij. Nu gaat het erom dat de tuin klaar is voor de volgende zeven generaties; delen van overvloed is een van de principes van permacultuur. Valérie: ‘We willen nog meer diversiteit aanbrengen met een groter aandeel voedselbos, meerjarige en vaste gewassen en hagen en houtwallen. De bodem mag nog gezonder worden. En we willen de tuin voorbereiden op de klimaatverandering, bijvoorbeeld met hagen voor meer schaduw. De les die de natuur ons laat zien, is steeds dezelfde: groei mee, beweeg mee en probeer het niet af te dwingen.’


De Veldhof is een zogenaamde community supported agriculture (CSA), een vorm van landbouw waarbij de groep het risico draagt. Klanten betalen het abonnement ongeacht de opbrengst van de oogst. Daarnaast wordt de tuinderij mede onderhouden door vrijwilligers die vanwege het gemeenschapsgevoel graag een steentje bijdragen. Behalve een eetbare tuin waar je groenten en fruit kunt oogsten, is De Veldhof ook een ontmoetingsplek. En de plek waar Valérie driedaagse cursussen geeft in het ontwerpen van eetbare tuinen vanuit een holistische visie. Voor mensen die laagdrempeliger willen beginnen heeft Valérie het online programma ‘Zaai’ ontwikkeld, met inspirerende filmpjes op YouTube.

Vorige
Vorige

De essentie van Ubuntu leert ons: alles is één

Volgende
Volgende

Earthfulness: verbind je iedere dag met natuur